berouw
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- het betreuren van een eerdere kwalijke daad, spijt, schuldgevoel
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
- gebiedende wijs van zich berouwen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van zich berouwen
Vervoeging van berouw
berouwhele werkwoord