bot
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, werkwoord bɔtBetekenis
- been, knook, een onderdeel van het skelet.
- (Vlaanderen en Limburg) .
- een computerprogramma dat bepaalde handelingen automatisch uitvoert op basis van bepaalde reacties van externe gebruikers of computers.
- niet scherp, stomp, wat snijdens scherp had moeten zijn. een botte bijl
- onbeleefd & direct, zich bot gedragen
- van iets dat je er niets aan kunt doen
- een platvis
- remedie
- sprong
- stuit (stuitering)
- boot
- waterzak of wijnzak
- doedelzak
- een computerprogramma dat kleine taken herhaaldelijk uitvoert, autonoom of in opdracht van de operator
- laars
- bod
- bekendmaking, mededeling
- gebod, bevel
- dienst, in te enes bode ter beschikking van iemand
- dagvaarding, oproep
- een partij van een of ander spel
- botek
- (dialect) schoen
Hoe spreek je bot uit?
/bɔt/
Bot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ɔ | bot |
| t | tak |
Klinkt hetzelfde als bod.
zelfstandig naamwoord — masculine
- bepaald soort platvis, Platichthys flesus
- bladknop
- been, knook, een onderdeel van het skelet neuter
- laars.
- een computerprogramma dat bepaalde handelingen automatisch uitvoert op basis van bepaalde reacties van externe gebruikers of computers abbreviation, clipping
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| botje | verkleinwoord |
| botjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| botten | enkelvoud |
bijvoeglijk naamwoord
- niet scherp, stomp, wat snijdens scherp had moeten zijn
- onbeleefd en/of direct in de sociale interactie figuratively
- waar men niets aan kan doen figuratively
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] bot | canonical |
Woordvorm
- enkelvoud tegenwoordige tijd van botten
- gebiedende wijs van botten
Vervoeging van bot
bothele werkwoord
Herkomst
[A1] Ontwikkeld uit Middelnederlands but, bot, mogelijk vernoemd naar diens stompe kop. In deze betekenis, voor het eerst aangetroffen in het jaar 1287.
Woordfamilie van bot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| botje | verkleinwoord | bot |
| botjes | verkleinwoord | bot |
| bottere | woordvorm | bot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van bot zijn vastgelegd.