korf
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- een mand van vlechtwerk
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| korfje | verkleinwoord, enkelvoud |
| korfjes | verkleinwoord, meervoud |
| korven | meervoud |
Woordvorm
- enkelvoud verleden tijd van kerven
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van korven
- gebiedende wijs van korven
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van korven
Vervoeging van korf
korfhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘mand’ voor het eerst aangetroffen in 1201
Woordfamilie van korf
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| korfje | verkleinwoord | korf |
| korfjes | verkleinwoord meervoud | korf |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van korf zijn vastgelegd.