potdoof
bijvoeglijk naamwoordBetekenis
- heel erg doof, zeer doof
- niet willen luisteren
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| potdoofs | partitief, stellende trap |
| potdove | verbogen, stellende trap |
Herkomst
In de betekenis van ‘zeer doof’ voor het eerst aangetroffen in 1837
Woordfamilie van potdoof
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| potdoofs | partitive, positive | potdoof |
| potdove | verbogen vorm | potdoof |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van potdoof zijn vastgelegd.