kot
zelfstandig naamwoord kɔtBetekenis
- klein, armoedig huis
- verblijf voor huis- en staldieren
- woning horende bij koterstede (keuterij)
- kleine, afgesloten ruimte, hok
- gevangenis
- deel van een molen, molenkot
- gehuurde studentenkamer
- huis, woning
- bordeel
- kat
- spijkerstof, denim
- gemaakt van spijkerstof
Hoe spreek je kot uit?
/kɔt/
Kot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɔ | bot |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (koten) | meervoud |
| kotje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kotjes | verkleinwoord, meervoud |
| kotten | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘armoedig huis’ voor het eerst aangetroffen in 1038
Woordfamilie van kot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kotje | verkleinwoord | kot |
| kotjes | verkleinwoord meervoud | kot |
| kotten | meervoud | kot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kot zijn vastgelegd.