slot
zelfstandig naamwoord slɔtBetekenis
- mechanisme of elektronisch(-mechanische) hulpmiddel waarmee in combinatie met een sleutel of ander mechanisch hulpmiddel, of een cijfercode, een vingerafdruk of ander biometrische eigenschap een object met bijvoorbeeld een deur of een raam kan worden afgesloten
- een middeleeuwse versterkte woning, ook wel kasteel of burcht genoemd
- einde
- gokkast
- sleuf (bij voorbeeld in een computer waarin een uitbreidingskaart kan worden bevestigd)
- tijdsinterval
- gleuf, groef, spleet, sleuf, uitsparing
- geul
- gokautomaat, gokkast
- hertenspoor
- vagina
- in een uitsparing passen
- een uitsparing maken in
- achtervolgen
- inplannen, inlassen 1
Hoe spreek je slot uit?
/slɔt/
Slot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| ɔ | bot |
| t | tak |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sloten | enkelvoud |
| slotje | verkleinwoord |
| slotjes | verkleinwoord, enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — neuter
- langwerpige dunne opening (bijvoorbeeld in een computer waarin een uitbreidingskaart kan worden bevestigd)
- vastgesteld tijdsinterval voor een activiteit
- periode waarin een vliegtuig op een bepaalde luchthaven mag opstijgen of landen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| slotje | verkleinwoord |
| slotjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| slots | enkelvoud |
Woordfamilie van slot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| slotje | verkleinwoord | slot |
| slotjes | verkleinwoord | slot |
| slots | enkelvoud | slot |
| slotte | neuter | slot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van slot zijn vastgelegd.