lot
zelfstandig naamwoord lɔtBetekenis
- toevalskans of teken daarvan
- noodlot, wat het toeval iemand toebedenkt
- nieuw gegroeide tak aan een boom
Hoe spreek je lot uit?
/lɔt/
Lot bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɔ | bot |
| t | tak |
zelfstandig naamwoord — neuter
- bewijs van deelname aan een loterij
- vastgelegde hoeveelheid van iets
- verzameling exemplaren van een bep. diersoort
- kavel, perceel
- belasting [1] die vooral vroeger werd geheven op woningen en boerderijen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] | canonical |
| lotje | verkleinwoord |
| lotjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| lotsen | enkelvoud |
Woordfamilie van lot
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| lootjes | meervoud | lot |
| lotje | verkleinwoord | lot |
| lotjes | verkleinwoord | lot |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van lot zijn vastgelegd.