potten
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpɔtə(n)Betekenis
- in een pot doen
Hoe spreek je potten uit?
/ˈpɔtən/
Potten bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɔ | bot |
| t | tak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van potten
pottenhele werkwoord — potteverleden tijd enkelvoud — gepotvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pot | potte |
| jij | pot | potte |
| hij, zij, het | pot | potte |
| wij | potten | — |
| jullie | potten | — |
| zij | potten | — |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gepot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepot | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepot | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepot | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepot worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepot zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepot worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepot zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepot | verleden tijd, deelwoord |
| gepot te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepot zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepot | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepot | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepot | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepot | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pot | gebiedende wijs |
| potte | verleden tijd |
| potte | aanvoegende wijs |
| pottend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gepot | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te potten | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen potten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepot hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt potten | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen potten | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepot hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult potten | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pot
Woordvorm
- meervoud verleden tijd van potten
Vervoeging van potten
pottenhele werkwoord
Woordfamilie van potten
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepot | voltooid deelwoord | potten |
| gepotte | woordvorm | potten |
| potte | verleden tijd | potten |
| pottend | onvoltooid deelwoord | potten |
| pottende | woordvorm | potten |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van potten zijn vastgelegd.