blik
zelfstandig naamwoord, werkwoord blɪkBetekenis
- metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen
- een cilindervormig afgesloten blikken vaatje
- als voorwerpsnaam
- (keukengereedschap)
- (om verduurzaamde levensmiddelen in te bewaren)
- We bewaarden de koekjes in het koekblik.
- (ook wel van ander materiaal) met handvat om stof en vuilnis op te vegen
- De moeder had een stoffer en blik gehaald en alles van de grond opgeveegd.
- een oogopslag
- de tijd die voor een blik van het oog nodig is
- manier van kijken, gezichtsuitdrukking
- het richten van het oog op iets
- het vermogen om te zien
- een plant uit de rozenfamilie
Hoe spreek je blik uit?
/blɪk/
Blik bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| l | land |
| ɪ | pit |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- metaal dat tot dunne bladen is uitgeslagen of gewalst
- voorwerp dat traditioneel uit dun metaal wordt gemaakt
- verzamelterm voor artikelen die uit dun metaal zijn gemaakt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blikje | verkleinwoord |
| blikjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| blikken | enkelvoud |
zelfstandig naamwoord — masculine
- enkele oogopslag, snelle waarneming met de ogen
- tijd die voor een enkele oogopslag nodig is
- gerichte waarneming met de ogen
- vermogen om te zien
- bepaald soort plant, Potentilla anserina, uit de rozenfamilie obsolete
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| blikje | verkleinwoord |
| blikjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| blikken | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blikken
- gebiedende wijs van blikken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van blikken
Vervoeging van blik
blikhele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] blik | canonical |
Woordfamilie van blik
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| blikje | verkleinwoord | blik |
| blikjes | verkleinwoord | blik |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van blik zijn vastgelegd.