steiger
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈstɛiɣərBetekenis
- een vaak houten constructie die het water insteekt en waaraan een boot kan afmeren
- een tijdelijke constructie van palen en werkplateaus die bouwvakkers een werkvloer verschaffen bij bouw- en onderhoudswerk
Hoe spreek je steiger uit?
/ˈstɛixər/
Steiger bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɛi | trein |
| x | acht |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Klinkt hetzelfde als stijger.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| steigers | meervoud |
| steigertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| steigertjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steigeren
- gebiedende wijs van steigeren
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van steigeren
Vervoeging van steiger
steigerhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘aanlegplaats, stelling’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1270
Woordfamilie van steiger
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| steigers | meervoud | steiger |
| steigertje | verkleinwoord | steiger |
| steigertjes | verkleinwoord meervoud | steiger |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van steiger zijn vastgelegd.