Naar de inhoud

passen

precies de goede maat zijn, erin kunnen

passen is meer dan één woord

passen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpɑsə(n)

Betekenis

  1. precies de goede maat zijn, erin kunnen
  2. zien of iets de juiste maat is
  3. een biedbeurt voorbij laten gaan
  4. schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
  5. een beurt voorbij laten gaan
  6. (de bal) naar een medespeler spelen

Hoe spreek je passen uit?

/ˈpɑsən/

Passen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈpɑsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
p pak
ɑ bad
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

werkwoord

  1. precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.) absolute

Vervoeging van passen

passenhele werkwoord — passteverleden tijd enkelvoud — passtenverleden tijd meervoud — gepasstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik pas passte
jij passt passte
hij, zij, het passt passte
wij passen passten
jullie passen passten
zij passen passten
Alle 106 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[A] passen canonical
er is gepasst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er is gepast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was gepasst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er was gepast impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd gepasst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er werd gepast impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt gepasst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er wordt gepast impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal gepasst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepasst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zal gepast worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal gepast zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou gepasst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepasst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
er zou gepast worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou gepast zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
gepasst verleden tijd, deelwoord
gepasst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepasst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
gepast verleden tijd, deelwoord
gepast te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
gepast zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had gepasst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepasst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepasst voltooid, verleden tijd, derde persoon
had gepast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had gepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had gepast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepasst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepasst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepasst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden gepast voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden gepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden gepast voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt gepasst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadt gepast voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
heb gepast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepasst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebben gepast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben gepast voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben gepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben gepast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebt gepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepasst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
heeft gepast voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft gepast voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
pas gebiedende wijs
pass gebiedende wijs
passe aanvoegende wijs
passend onvoltooid, deelwoord
paste verleden tijd
te hebben gepasst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te hebben gepast actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te passen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen passen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
zal gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal gepast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal gepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal gepast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zou gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt gepasst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt gepast hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt passen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen gepast hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen gepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen gepast hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen passen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult gepasst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult gepast hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult passen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord pas

werkwoord

  1. naar een medespeler spelen transitive

Vervoeging van passen

passenhele werkwoord — gepasstvoltooid deelwoord

Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
[B] passen canonical
gepasst verleden tijd, deelwoord
passte verleden tijd

Woordfamilie van passen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
gepasst voltooid deelwoord passen
gepasste woordvorm passen
passe aanvoegende wijs passen
passt aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon passen
passte aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon passen
passten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon passen
past aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon passen
paste verleden tijd passen
pasten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon passen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over passen

Hoe spreek je passen uit?
De uitspraak van passen is: /ˈpɑsə(n)/. Dit is het internationaal fonetisch alfabet, waarmee elke klank apart wordt genoteerd. Het teken ˈ geeft de klemtoon aan: de nadruk valt op de eerste lettergreep.
Wat betekent passen?
Passen is een werkwoord. Het woord betekent: precies de goede maat zijn, erin kunnen. Deze pagina beschrijft 8 betekenissen op deze pagina.
Hoe vervoeg je passen?
Je vervoegt passen als volgt: de tegenwoordige tijd is pas, de verleden tijd is passte en het voltooid deelwoord is gepasst. De volledige vervoeging staat in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op passen?

Op passen rijmen 31 woorden, onder andere wassen, volwassen en plassen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op passen, uitspraak ˈpɑsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
wassen 2
volwassen 3
plassen 2
surplacen 3
tassen 2
krassen 2
verwassen 3
trassen 2
vlassen 2
nassen 2
aandrijfassen 4
aangewassen 4
autipassen 4
babylancen 4
backstagepassen 4
betekenisnuancen 7
bovenassen 4
gentechgewassen 5
gewassen 3
grassen 2
herderstassen 4
kalebassen 4
kattenrassen 4
modderplassen 4
motorjassen 4
ribbenkassen 4
rondassen 3
spijkerjassen 4
tirassen 3
uniformjassen 6
wandelpassen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord passen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. P 3
  2. A 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

passen levert met Wordfeud minimaal 11 en maximaal 57 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. P 4
  2. A 1
  3. S 2
  4. S 2
  5. E 1
  6. N 1
  7. 11 zonder bonus
  8. 57 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

passen telt 6 letters, waarvan 5 verschillende, want één letter komt er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 13.213 woorden van 6 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

passen in het kort

passen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Welke van de twee het is, hangt af van de zin. Hierboven staan 8 omschrijvingen, elk met de woordsoort waar hij bij hoort. Van passen zijn 71 vormen vastgelegd; die staan in de tabel op deze pagina. Verder hoort passen bij een woordfamilie van 9 woorden, gebaseerd op vastgelegde woordvormrelaties.

passen: precies de goede maat zijn, erin kunnen
Deel passen — standaardnederlands.nl