passen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈpɑsə(n)Betekenis
- precies de goede maat zijn, erin kunnen
- zien of iets de juiste maat is
- een biedbeurt voorbij laten gaan
- schikken, uitkomen, voegen, gelegen komen
- een beurt voorbij laten gaan
- (de bal) naar een medespeler spelen
Hoe spreek je passen uit?
/ˈpɑsən/
Passen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
werkwoord
- precies de goede maat zijn, erin kunnen (van kleding, schoenen e.d.) absolute
Vervoeging van passen
passenhele werkwoord — passteverleden tijd enkelvoud — passtenverleden tijd meervoud — gepasstvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | pas | passte |
| jij | passt | passte |
| hij, zij, het | passt | passte |
| wij | passen | passten |
| jullie | passen | passten |
| zij | passen | passten |
Alle 106 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [A] passen | canonical |
| er is gepasst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er is gepast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gepasst | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er was gepast | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gepasst | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er werd gepast | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gepasst | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er wordt gepast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gepasst worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepasst zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zal gepast worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gepast zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gepasst worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepasst zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| er zou gepast worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gepast zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gepasst | verleden tijd, deelwoord |
| gepasst te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepasst zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| gepast | verleden tijd, deelwoord |
| gepast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gepast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gepasst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepasst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepasst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| had gepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepasst | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepasst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepasst | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gepast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gepast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gepasst | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadt gepast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| heb gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepasst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebben gepast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebt gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepasst | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| heeft gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gepast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| pas | gebiedende wijs |
| pass | gebiedende wijs |
| passe | aanvoegende wijs |
| passend | onvoltooid, deelwoord |
| paste | verleden tijd |
| te hebben gepasst | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben gepast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te passen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen passen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gepasst hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt gepast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt passen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen passen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gepasst hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult gepast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult passen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord pas
werkwoord
- naar een medespeler spelen transitive
Vervoeging van passen
passenhele werkwoord — gepasstvoltooid deelwoord
Alle 3 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] passen | canonical |
| gepasst | verleden tijd, deelwoord |
| passte | verleden tijd |
Woordfamilie van passen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gepasst | voltooid deelwoord | passen |
| gepasste | woordvorm | passen |
| passe | aanvoegende wijs | passen |
| passt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | passen |
| passte | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, enkelvoud, 1e persoon | passen |
| passten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | passen |
| past | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | passen |
| paste | verleden tijd | passen |
| pasten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | passen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passen zijn vastgelegd.