Naar de inhoud

uitproberen

van tevoren proberen of het bevalt

uitproberen

werkwoord

Betekenis

  1. van tevoren proberen of het bevalt

Vervoeging van uitproberen

uitproberenhele werkwoord — probeerde uitverleden tijd enkelvoud — probeerden uitverleden tijd meervoud — uitgeprobeerdvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik probeer uit probeerde uit
jij probeert uit probeerde uit
hij, zij, het probeert uit probeerde uit
wij proberen uit probeerden uit
jullie proberen uit probeerden uit
zij proberen uit probeerden uit
Alle 145 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is uitgeprobeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was uitgeprobeerd impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd uitgeprobeerd impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt uitgeprobeerd impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal uitgeprobeerd worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal uitgeprobeerd zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou uitgeprobeerd worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou uitgeprobeerd zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
had uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeprobeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
probeer uit gebiedende wijs
probeerde uit verleden tijd
te hebben uitgeprobeerd actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen uitproberen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit te proberen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uit te zullen proberen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uit zal proberen bijzin, toekomende tijd
uit zou proberen bijzin, voorwaardelijk
uit zouden proberen bijzin, voorwaardelijk
uit zoudt proberen bijzin, voorwaardelijk
uit zullen proberen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uit zullen proberen bijzin, toekomende tijd
uit zult proberen bijzin, toekomende tijd
uitgeprobeerd verleden tijd, deelwoord
uitgeprobeerd te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeprobeerd te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
uitgeprobeerd te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeprobeerd te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeprobeerd te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
uitgeprobeerd worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeprobeerd zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
uitgeprobeerd zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeprobeerd zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitgeprobeerd zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
uitprobeer bijzin, tegenwoordige tijd
uitprobeerde bijzin, verleden tijd
uitprobeerden bijzin, verleden tijd
uitprobeert bijzin, tegenwoordige tijd
uitproberend onvoltooid, deelwoord
waart uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
was uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was uitgeprobeerd voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt uitgeprobeerd enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal uitgeprobeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal uitgeprobeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zal uitproberen bijzin, toekomende tijd
zijn uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt uitgeprobeerd voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zou uitproberen bijzin, voorwaardelijk
zou(dt) uitproberen uit zou(dt) proberen bijzin, voorwaardelijk
zouden uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zouden uitproberen bijzin, voorwaardelijk
zoudt uitgeprobeerd hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitgeprobeerd zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zoudt uitproberen bijzin, voorwaardelijk
zullen uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitgeprobeerd worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitgeprobeerd zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen uitgeprobeerd zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen uitgeprobeerd zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen uitproberen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen uitproberen aantonende wijs, onvoltooid, hoofdzin, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zullen uitproberen bijzin, toekomende tijd
zult uitgeprobeerd hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon

Herkomst

Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘op bruikbaarheid testen, op de proef stellen’ voor het eerst aangetroffen in 1932

Woordfamilie van uitproberen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
probeer uit gebiedende wijs uitproberen
probeerde uit verleden tijd uitproberen
probeerden uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, verleden tijd, meervoud, 1e persoon uitproberen
probeert uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon uitproberen
probere uit woordvorm uitproberen
proberen uit aantonende wijs, onvoltooid, main-clause, tegenwoordige tijd, meervoud, 1e persoon uitproberen
uitgeprobeerd voltooid deelwoord uitproberen
uitgeprobeerde woordvorm uitproberen
uitprobeer subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitproberen
uitprobeerde subordinate-clause, verleden tijd uitproberen
uitprobeerden subordinate-clause, verleden tijd uitproberen
uitprobeert subordinate-clause, tegenwoordige tijd uitproberen
uitprobere with-subordinate-clause uitproberen
uitproberend onvoltooid deelwoord uitproberen
uitproberende woordvorm uitproberen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van uitproberen zijn vastgelegd.

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over uitproberen

Wat is de betekenis van uitproberen?
Uitproberen is een werkwoord. De betekenis is: van tevoren proberen of het bevalt.
Hoe vervoeg ik uitproberen?
Zo vervoeg je uitproberen zo: het voltooid deelwoord is uitgeprobeerd. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord uitproberen is 21 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. U 4
  2. I 1
  3. T 2
  4. P 3
  5. R 2
  6. O 1
  7. B 3
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 21 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

uitproberen levert met Wordfeud minimaal 22 en maximaal 90 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. U 2
  2. I 2
  3. T 2
  4. P 4
  5. R 2
  6. O 1
  7. B 4
  8. E 1
  9. R 2
  10. E 1
  11. N 1
  12. 22 zonder bonus
  13. 90 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (P) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus.

uitproberen in het kort

uitproberen staat in dit woordenboek als werkwoord. Van uitproberen staan er 88 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort uitproberen bij een woordfamilie van 15 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

uitproberen: van tevoren proberen of het bevalt
Deel uitproberen — standaardnederlands.nl