pas
bijwoord, tussenwerpsel, werkwoord, zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord pɑsBetekenis
- even tevoren.
- nog niet lang.
- niet eerder dan.
- in nog hogere mate.
- (even tevoren)
- net
- (nog niet lang)
- (niet eerder dan)
- maar
- om aan te geven dat men de beurt voorbij laat gaan.
- het plaatsen van de ene voet voor de andere bij het gaan.
- manier van lopen.
- door een overheid verkregen identiteitsbewijs.
- doorgang tussen bergtoppen, waar men over de bergkam heen kan.
- (in België) schot naar een medespeler
- (het plaatsen van de voet)
- schrede
- stap, voetstap
- (manier van lopen)
- tred
- (identiteitsbewijs)
- paspoort
- (doorgang tussen bergtoppen)
- bergpas
- (schot naar een medespeler)
- pass
- van de juiste grootte, passend
- waterpas
- niet
- hond
- paspoort; een door een overheid vergeven identiteitsbewijs
- stap
- pass; het overspelen van de bal tussen twee spelers van hetzelfde team
- een deelnemer aan een spel die aangeeft dat hij zijn beurt voorbij laat gaan
- taille
- doklad
Hoe spreek je pas uit?
/pɑs/
Pas bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- gebiedende wijs van passen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
Vervoeging van pas
pashele werkwoord
zelfstandig naamwoord — masculine
- schot naar een medespeler
- een sierlijke stap gedaan door een artiest op het podium
Herkomst
In de betekenis van ‘nationaliteitsverklaring’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1688
Woordfamilie van pas
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| pasje | woordvorm | pas |
| pasjes | meervoud | pas |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pas zijn vastgelegd.