trassen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtrɑsə(n)Betekenis
- met cement die gemalen tufsteen (tras) bevat metselen of bestrijken
- de onderste bladen van suikerriet weghalen
Hoe spreek je trassen uit?
/ˈtrɑsən/
Trassen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van trassen
trassenhele werkwoord — trasteverleden tijd enkelvoud — trastenverleden tijd meervoud — getrastvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | tras | traste |
| jij | trast | traste |
| hij, zij, het | trast | traste |
| wij | trassen | trasten |
| jullie | trassen | trasten |
| zij | trassen | trasten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is getrast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getrast | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getrast | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getrast | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getrast worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getrast zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getrast worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getrast zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getrast | verleden tijd, deelwoord |
| getrast te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getrast zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getrast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getrast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getrast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getrast | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getrast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getrast | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getrast | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getrast | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getrast | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te trassen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen trassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| tras | gebiedende wijs |
| trasse | aanvoegende wijs |
| trassend | onvoltooid, deelwoord |
| traste | verleden tijd |
| zal getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getrast hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt trassen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen trassen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getrast hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult trassen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord tras
Herkomst
[werkwoord] van tras met het achtervoegsel -en
Woordfamilie van trassen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getrast | voltooid deelwoord | trassen |
| getraste | woordvorm | trassen |
| trasse | aanvoegende wijs | trassen |
| trassend | onvoltooid deelwoord | trassen |
| trassende | woordvorm | trassen |
| trast | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | trassen |
| traste | verleden tijd | trassen |
| trasten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | trassen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trassen zijn vastgelegd.