paspoort
zelfstandig naamwoordBetekenis
- officieel document dat de houder identificeren|identificeert als burger van een bepaald land, en vraagt toestemming in de naam van de regering van het uitgevende land om de houder in het land toelaten|toe te laten
zelfstandig naamwoord — neuter
- officieel document dat de houder identificeert als burger van een bepaald land, en toestemming vraagt in de naam van de regering van het uitgevende land om de houder in het land toe te laten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| paspoorten | meervoud |
| paspoortje | verkleinwoord, enkelvoud |
| paspoortjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘nationaliteitsverklaring’ voor het eerst aangetroffen in 1488
Woordfamilie van paspoort
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| paspoorten | meervoud | paspoort |
| paspoortje | verkleinwoord | paspoort |
| paspoortjes | verkleinwoord meervoud | paspoort |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van paspoort zijn vastgelegd.