passer
zelfstandig naamwoord ˈpɑsərBetekenis
- een hulpmiddel om cirkels en cirkelbogen te tekenen
- een hulpmiddel om de afgelegde afstand van een schip te berekenen.
- voorbijgaan
- voorbijkomen, komen langs
- vergeten en vergeven
- verteren, digereren
- voorkomen.
Hoe spreek je passer uit?
/ˈpɑsər/
Passer bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| p | pak |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ə | de |
| r | rood |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| passers | meervoud |
| passertje | verkleinwoord, enkelvoud |
| passertjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘meetwerktuig’ voor het eerst aangetroffen in 1443
Woordfamilie van passer
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| passers | meervoud | passer |
| passertje | verkleinwoord | passer |
| passertjes | verkleinwoord meervoud | passer |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van passer zijn vastgelegd.