horen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /hɔː.rən/Betekenis
- geluid waarnemen met het oor
- thuishoren, behoren
- hoorn
- het gehoor, het in staat zijn om te kunnen horen
Hoe spreek je horen uit?
/hɔrən/
Horen bestaat uit twee lettergrepen.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| r | rood |
| ə | de |
| n | nek |
Vervoeging van horen
horenhele werkwoord — hoordeverleden tijd enkelvoud — hoordenverleden tijd meervoud — gehoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | hoor | hoorde |
| jij | hoort | hoorde |
| hij, zij, het | hoort | hoorde |
| wij | horen | hoorden |
| jullie | horen | hoorden |
| zij | horen | hoorden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehoord | verleden tijd, deelwoord |
| gehoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hoor | gebiedende wijs |
| hoorde | verleden tijd |
| hore | aanvoegende wijs |
| horend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te horen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen horen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt horen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen horen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult horen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordfamilie van horen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehoord | voltooid deelwoord | horen |
| hoorde | verleden tijd | horen |
| hoorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | horen |
| hooren | woordvorm | horen |
| hoort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | horen |
| hore | aanvoegende wijs | horen |
| horens | meervoud | horen |
| horentje | woordvorm | horen |
| horentjes | meervoud | horen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van horen zijn vastgelegd.