behoren
werkwoordBetekenis
- ~ bij een eenheid vormen met of een onderdeel uitmaken van.
- ~ tot deel uitmaken van
- ~ te onderdeel uitmaken van wat gebruikelijk is of tot de fatsoensnormen gerekend wordt, dienen, horen
- onderdeel zijn van
werkwoord
- ~ bij een eenheid vormen met of een onderdeel uitmaken van absolute
Vervoeging van behoren
behorenhele werkwoord — behoordeverleden tijd enkelvoud — behoordenverleden tijd meervoud — behoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | behoor | behoorde |
| jij | behoort | behoorde |
| hij, zij, het | behoort | behoorde |
| wij | behoren | behoorden |
| jullie | behoren | behoorden |
| zij | behoren | behoorden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| behoor | gebiedende wijs |
| behoord | verleden tijd, deelwoord |
| behoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behoorde | verleden tijd |
| behore | aanvoegende wijs |
| behorend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had behoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had behoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had behoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden behoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden behoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden behoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt behoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te behoren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben behoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen behoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen behoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Vervoeging van behoren
behorenhele werkwoord — behoordeverleden tijd enkelvoud — behoordenverleden tijd meervoud — behoordvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | behoor | behoorde |
| jij | behoort | behoorde |
| hij, zij, het | behoort | behoorde |
| wij | behoren | behoorden |
| jullie | behoren | behoorden |
| zij | behoren | behoorden |
Alle 56 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| behoor | gebiedende wijs |
| behoord | verleden tijd, deelwoord |
| behoord te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| behoord zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| behoorde | verleden tijd |
| behore | aanvoegende wijs |
| behoren tot | canonical |
| behorend | onvoltooid, deelwoord |
| ev. | gebiedende wijs |
| had behoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had behoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had behoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden behoord | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden behoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden behoord | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt behoord | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft behoord | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te behoren | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te hebben behoord | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen behoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt behoord hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt behoren | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen behoren | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult behoord hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult behoren | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Herkomst
In de betekenis van ‘toebehoren, nodig zijn, passen’ voor het eerst aangetroffen in 1240
Woordfamilie van behoren
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| behoor | gebiedende wijs | behoren |
| behoord | voltooid deelwoord | behoren |
| behoorde | verleden tijd | behoren |
| behoorden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | behoren |
| behoort | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | behoren |
| behore | aanvoegende wijs | behoren |
| behorend | onvoltooid deelwoord | behoren |
| behorende | woordvorm | behoren |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van behoren zijn vastgelegd.