pass
zelfstandig naamwoord, werkwoordBetekenis
- schot naar een speler van hetzelfde elftal
- voorbijgaan, passeren
- slagen
- pas; een deelnemer aan een spel die aangeeft dat hij zijn beurt voorbij laat gaan
- paspoort (document dat doorgang verleent)
- doorgang; (berg)pas
- pas; een manier van gaan
- plaats waar een jager jaagt; plaats waar een politieman patrouilleert
- poosje (een werkperiode)
- verlofbrief (document dat toestemming geeft iets (o.a. van de gevangenis) te mogen verlaten)
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| passes | meervoud |
| passje | verkleinwoord, enkelvoud |
| passjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
- gebiedende wijs van passen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van passen
Vervoeging van pass
passhele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘schot van de bal naar een medespeler bij het voetbalspel’ voor het eerst aangetroffen in 1936
Woordfamilie van pass
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| passes | meervoud | pass |
| passje | verkleinwoord | pass |
| passjes | verkleinwoord meervoud | pass |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van pass zijn vastgelegd.