Naar de inhoud

toetsen

bepalen van vaardigheden van iemand door middel van een test of onderzoek

toetsen is meer dan één woord

toetsen

werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈtutsə(n)

Betekenis

  1. bepalen van vaardigheden van iemand door middel van een test of onderzoek

Hoe spreek je toetsen uit?

/ˈtutsən/

Toetsen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.

De tekens in /ˈtutsən/ en een woord waarin dezelfde klank staat.
Teken Klinkt als in
t tak
u boek
s sok
ə de
n nek
ˈ de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint

Vervoeging van toetsen

toetsenhele werkwoord — toetsteverleden tijd enkelvoud — toetstenverleden tijd meervoud — getoetstvoltooid deelwoord

Persoon Tegenwoordige tijd Verleden tijd
ik toets toetste
jij toetst toetste
hij, zij, het toetst toetste
wij toetsen toetsten
jullie toetsen toetsten
zij toetsen toetsten
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
Vorm Grammaticale informatie
- impersonal, passief
ben getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
bent getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
er is getoetst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid
er was getoetst impersonal, passief, verleden tijd, voltooid
er werd getoetst impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid
er wordt getoetst impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid
er zal getoetst worden impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid
er zal getoetst zijn impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid
er zou getoetst worden impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid
er zou getoetst zijn impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid
ev. gebiedende wijs
getoetst verleden tijd, deelwoord
getoetst te worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getoetst te zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
getoetst te zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getoetst te zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
getoetst te zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm
getoetst worden infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getoetst zijn infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
getoetst zullen hebben actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
getoetst zullen worden infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
getoetst zullen zijn infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm
had getoetst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
had getoetst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
had getoetst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadden getoetst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
hadden getoetst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
hadden getoetst voltooid, verleden tijd, derde persoon
hadt getoetst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
heb getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getoetst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm
hebben getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
hebben getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
hebben getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
hebt getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
heeft getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
is getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
is getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
te hebben getoetst actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te toetsen actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm
te zullen toetsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm
toets gebiedende wijs
toetse aanvoegende wijs
toetsend onvoltooid, deelwoord
toetste verleden tijd
waart getoetst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getoetst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
waren getoetst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
waren getoetst voltooid, verleden tijd, derde persoon
was getoetst voltooid, verleden tijd, eerste persoon
was getoetst voltooid, verleden tijd, tweede persoon
was getoetst voltooid, verleden tijd, derde persoon
werd getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon
werd getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon
werd getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
werden getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon
werden getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon
werden getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon
werdt getoetst enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon
word getoetst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
worden getoetst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon
worden getoetst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon
worden getoetst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
wordt getoetst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon
wordt getoetst enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zal getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zal getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zal getoetst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zal getoetst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zal toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon
zal toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon
zal toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon
zijn getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon
zijn getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zijn getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon
zijt getoetst voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon
zou getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zou getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zou getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zou getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zou toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon
zou toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zou toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon
zouden getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon
zouden getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zouden getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, derde persoon
zouden toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon
zouden toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon
zouden toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon
zoudt getoetst hebben voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt getoetst zijn voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon
zoudt toetsen aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon
zullen getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen getoetst zijn voltooid, toekomende tijd, eerste persoon
zullen getoetst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zullen getoetst zijn voltooid, toekomende tijd, derde persoon
zullen toetsen actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm
zullen toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon
zullen toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon
zullen toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon
zult getoetst hebben voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getoetst worden enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult getoetst zijn voltooid, toekomende tijd, tweede persoon
zult toetsen aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon

Woordvorm

  • meervoud van het zelfstandig naamwoord toets

Woordfamilie van toetsen

Woordvorm Relatie Afgeleid van
getoetst voltooid deelwoord toetsen
getoetste woordvorm toetsen
toetse aanvoegende wijs toetsen
toetsend onvoltooid deelwoord toetsen
toetsende woordvorm toetsen
toetst aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon toetsen
toetste verleden tijd toetsen
toetsten aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon toetsen

Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van toetsen zijn vastgelegd.

Afleidingen en samenstellingen

Verwante woorden

Veelgestelde vragen over toetsen

Hoe spreek ik toetsen uit?
Zo spreek je toetsen uit: /ˈtutsə(n)/. Dat is de weergave in het internationaal fonetisch alfabet, waarin elke klank een eigen teken heeft. Het streepje ˈ markeert de klemtoon: die ligt op de eerste lettergreep.
Wat is de betekenis van toetsen?
Toetsen is een werkwoord. De betekenis is: bepalen van vaardigheden van iemand door middel van een test of onderzoek.
Hoe vervoeg ik toetsen?
Zo vervoeg je toetsen zo: de tegenwoordige tijd is toets, de verleden tijd is toetste en het voltooid deelwoord is getoetst. Alle vormen staan in de tabel op deze pagina.

Rijmwoordenboek: wat rijmt er op toetsen?

Er staan 6 woorden in dit woordenboek die op toetsen rijmen, waaronder poetsen, basisvormingstoetsen en correctietoetsen. Ze klinken vanaf de beklemtoonde lettergreep hetzelfde, niet alleen op de laatste letters.

Rijmwoorden op toetsen, uitspraak ˈtutsən, de gangbaarste eerst.
Rijmwoord Lettergrepen
poetsen 2
basisvormingstoetsen 6
correctietoetsen 5
kiboetsen 3
koeboetsen 3
oefentoetsen 4

Spellen

Scrabble punten

Naar spel

Het woord toetsen is 10 punten waard met Scrabble, zonder bonusvakjes meegerekend.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 totaal

Wordfeud punten

Naar spel

toetsen levert met Wordfeud minimaal 10 en maximaal 82 punten op. Wat het precies wordt, hangt af van de bonusvakjes waarop het woord komt te liggen.

  1. T 2
  2. O 1
  3. E 1
  4. T 2
  5. S 2
  6. E 1
  7. N 1
  8. 10 zonder bonus
  9. 82 met bonus

Het minimum is de som van de stenen, zonder bonusvakje. Het maximum telt de duurste letter (T) op een drieletterbonus mee en het hele woord op een driewoordbonus, plus 40 punten omdat alle zeven stenen van het rek gebruikt worden.

toetsen telt 7 letters, waarvan 5 verschillende, want 2 letters komen er dubbel in voor. Hoe meer verschillende letters een gok heeft, hoe meer woorden hij wegstreept.

Dit woordenboek kent 21.717 woorden van 7 letters. Dat is het speelveld waar een Woordle van deze lengte uit put.

Met de Woordle helper vul je de kleuren van je pogingen in en zie je welke woorden nog passen.

toetsen in het kort

toetsen is zowel werkwoord als zelfstandig naamwoord. Wat het is, hangt af van de zin. Van toetsen staan er 75 woordvormen vastgelegd; de tabel op deze pagina laat ze zien. Daarnaast hoort toetsen bij een woordfamilie van 8 verwante woorden, bepaald aan de hand van vastgelegde woordvormrelaties.

toetsen: bepalen van vaardigheden van iemand door middel van een test of onderzoek
Deel toetsen — standaardnederlands.nl