testen
werkwoord, zelfstandig naamwoordBetekenis
- aan een test onderwerpen
Vervoeging van testen
testenhele werkwoord — testteverleden tijd enkelvoud — testtenverleden tijd meervoud — getestvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | test | testte |
| jij | test | testte |
| hij, zij, het | test | testte |
| wij | testen | testten |
| jullie | testen | testten |
| zij | testen | testten |
Alle 126 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| - | impersonal, passief |
| ben getest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| bent getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| er is getest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was getest | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd getest | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt getest | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal getest worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal getest zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou getest worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou getest zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| getest | verleden tijd, deelwoord |
| getest te worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getest te zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| getest te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getest te zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getest te zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| getest worden | infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getest zijn | infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| getest zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getest zullen worden | infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| getest zullen zijn | infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had getest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had getest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had getest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden getest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden getest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden getest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt getest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb getest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben getest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben getest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft getest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| is getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| is getest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| te hebben getest | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te testen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen testen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| test | gebiedende wijs |
| teste | aanvoegende wijs |
| testend | onvoltooid, deelwoord |
| testte | verleden tijd |
| waart getest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| waren getest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| waren getest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| was getest | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| was getest | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| was getest | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werd getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| werd getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, derde persoon |
| werd getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| werden getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, eerste persoon |
| werden getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, tweede persoon |
| werden getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, derde persoon |
| werdt getest | enkelvoud, onvoltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| word getest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| worden getest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, eerste persoon |
| worden getest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, tweede persoon |
| worden getest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| wordt getest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, meervoud, derde persoon |
| wordt getest | enkelvoud, onvoltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zal getest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal getest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal getest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zal getest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal getest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zijn getest | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| zijn getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zijn getest | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| zijt getest | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| zou getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zou getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt getest hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getest worden | enkelvoud, onvoltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt getest zijn | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt testen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen getest hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getest hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen getest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen getest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen getest zijn | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen getest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen getest zijn | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen testen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult getest hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getest worden | enkelvoud, onvoltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult getest zijn | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult testen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord test
Herkomst
Leenwoord uit het Engels, in de betekenis van ‘door middel van een test onderzoeken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1940
Woordfamilie van testen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| getest | voltooid deelwoord | testen |
| geteste | woordvorm | testen |
| teste | aanvoegende wijs | testen |
| testend | onvoltooid deelwoord | testen |
| testende | woordvorm | testen |
| testte | verleden tijd | testen |
| testten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | testen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van testen zijn vastgelegd.