trias
zelfstandig naamwoord /ˈtrijɑs/Betekenis
- uit drie zelfstandige delen bestaand geheel
- geologisch tijdperk, eerste periode van het era mesozoïcum, van 252 tot 201 miljoen jaar geleden
- getal drie
- drietal
Hoe spreek je trias uit?
/ˈtrijɑs/
Trias bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| r | rood |
| i | riet |
| j | ja |
| ɑ | bad |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| triaden | meervoud |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Vóór 2006 was de spelling Trias. |
Herkomst
Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘groep van drie’ voor het eerst aangetroffen in 1832
Woordfamilie van trias
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| Trias | neuter | trias |
| triaden | meervoud | trias |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van trias zijn vastgelegd.