kap
zelfstandig naamwoord, werkwoord /kɑp/Betekenis
- bedekking ergens boven of overheen bijv. een lampenkap
- een bedekking van het hoofd
- de afdekking van een gebouw
- het vellen of omhakken van bomen
- warmte isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting
- kappen
- krijgen, ontvangen
- kaap; een in zee vooruitstekende landpunt
- drup; het geluid van vallende druppels
Hoe spreek je kap uit?
/kɑp/
Kap bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- warmte-isolatie voor het hoofd voor tijdens het duiken, onderdeel duikuitrusting
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kapjes | verkleinwoord, meervoud |
| kappen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
- gebiedende wijs van kappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van kappen
Vervoeging van kap
kaphele werkwoord
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapjes | verkleinwoord meervoud | kap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kap zijn vastgelegd.