kapstok
zelfstandig naamwoordBetekenis
- een meubelstuk bedoeld om jassen en hoeden aan op te hangen
- aanknopingspunt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| kapstokje | verkleinwoord, enkelvoud |
| kapstokjes | verkleinwoord, meervoud |
| kapstokken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘lat om kledingstukken aan te hangen’ voor het eerst aangetroffen in 1669
Woordfamilie van kapstok
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| kapstokje | verkleinwoord | kapstok |
| kapstokjes | verkleinwoord meervoud | kapstok |
| kapstokken | meervoud | kapstok |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kapstok zijn vastgelegd.