muts
zelfstandig naamwoord /mʏʦ/Betekenis
- hoofddeksel van textiel zonder harde rand
- netmaag, een van de vier magen van herkauwers
- volkse benaming voor vagina
- een scheldwoord voor een vrouw ('trut')
- een onhandige of domme vrouw
Hoe spreek je muts uit?
/mʏʦ/
Muts bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| ʏ | put |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| mutsen | meervoud |
| mutsje | verkleinwoord, enkelvoud |
| mutsjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Leenwoord uit het middeleeuws Latijn, in de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in 1373
Woordfamilie van muts
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| mutsen | meervoud | muts |
| mutsje | verkleinwoord | muts |
| mutsjes | verkleinwoord meervoud | muts |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van muts zijn vastgelegd.