zwangerschap
zelfstandig naamwoord ˈzwɑŋərˌsxɑpBetekenis
- de tijd dat een vrouw een ongeboren kind met zich draagt
Hoe spreek je zwangerschap uit?
/ˈzwɑŋərˌsxɑp/
Zwangerschap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| w | quiz |
| ɑ | bad |
| ŋ | ding |
| ə | de |
| r | rood |
| s | sok |
| x | acht |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| (zwangerschapje) | verkleinwoord, enkelvoud |
| (zwangerschapjes) | verkleinwoord, meervoud |
| zwangerschappen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘het zwanger-zijn’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1811
Woordfamilie van zwangerschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| zwangerschapje | woordvorm | zwangerschap |
| zwangerschapjes | meervoud | zwangerschap |
| zwangerschappen | meervoud | zwangerschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van zwangerschap zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- zwangerschapsafbreking
- zwangerschapsbegeleiding
- zwangerschapscontrole
- zwangerschapsdiabetes
- zwangerschapsduur
- zwangerschapsgymnastiek
- zwangerschapshormoon
- zwangerschapsmaand
- zwangerschapsmasker
- zwangerschapsmisselijkheid
- zwangerschapsonderbreking
- zwangerschapsperiode
- zwangerschapstest
- zwangerschapsuitkering
- zwangerschapsvergiftiging
- zwangerschapsverlof
- zwangerschapsweek