kappen
werkwoord, zelfstandig naamwoord /'kɑpə(n)/Betekenis
- het hoofdhaar knippen en in model brengen
- een boom onderaan met een bijl hakken tot die omvalt
- met een snelle slag met een mes of bijl een verbinding verbreken
- ~ met iets: ophouden met iets te doen
Hoe spreek je kappen uit?
/ˈkɑpən/
Kappen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van kappen
kappenhele werkwoord — kapteverleden tijd enkelvoud — kaptenverleden tijd meervoud — gekaptvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | kap | kapte |
| jij | kapt | kapte |
| hij, zij, het | kapt | kapte |
| wij | kappen | kapten |
| jullie | kappen | kapten |
| zij | kappen | kapten |
Alle 63 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| er is gekapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, voltooid |
| er was gekapt | impersonal, passief, verleden tijd, voltooid |
| er werd gekapt | impersonal, passief, verleden tijd, onvoltooid |
| er wordt gekapt | impersonal, passief, tegenwoordige tijd, onvoltooid |
| er zal gekapt worden | impersonal, passief, toekomende tijd, onvoltooid |
| er zal gekapt zijn | impersonal, passief, toekomende tijd, voltooid |
| er zou gekapt worden | impersonal, passief, voorwaardelijk, onvoltooid |
| er zou gekapt zijn | impersonal, passief, voorwaardelijk, voltooid |
| ev. | gebiedende wijs |
| gekapt | verleden tijd, deelwoord |
| gekapt te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gekapt zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gekapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gekapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gekapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gekapt | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gekapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gekapt | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gekapt | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gekapt | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| kap | gebiedende wijs |
| kappe | aanvoegende wijs |
| kappend | onvoltooid, deelwoord |
| kapte | verleden tijd |
| te hebben gekapt | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te kappen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen kappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gekapt hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt kappen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen kappen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gekapt hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult kappen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord kap
Herkomst
In de betekenis van ‘hakken’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1240
Woordfamilie van kappen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gekapt | voltooid deelwoord | kappen |
| kappe | aanvoegende wijs | kappen |
| kappend | onvoltooid deelwoord | kappen |
| kappende | woordvorm | kappen |
| kapt | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | kappen |
| kapte | verleden tijd | kappen |
| kapten | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | kappen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van kappen zijn vastgelegd.