burgerschap
zelfstandig naamwoord ˈbʏrɣərˌsxɑpBetekenis
- een juridische band van een individu met een staat, waaraan bepaalde rechten en plichten verbonden zijn
Hoe spreek je burgerschap uit?
/ˈbʏrxərˌsxɑp/
Burgerschap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| b | bak |
| ʏ | put |
| r | rood |
| x | acht |
| ə | de |
| s | sok |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| burgerschapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| burgerschapjes | verkleinwoord, meervoud |
| burgerschappen | meervoud |
Herkomst
afgeleid van burger met het achtervoegsel -schap
Woordfamilie van burgerschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| burgerschapje | verkleinwoord | burgerschap |
| burgerschapjes | verkleinwoord meervoud | burgerschap |
| burgerschappen | meervoud | burgerschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van burgerschap zijn vastgelegd.