achterklap
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈɑxtərˌklɑpBetekenis
- kwaadsprekerij achter iemands rug om
Hoe spreek je achterklap uit?
/ˈɑxtərˌklɑp/
Achterklap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| ɑ | bad |
| x | acht |
| t | tak |
| ə | de |
| r | rood |
| k | kat |
| l | land |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| achterklapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| achterklapjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van achterklappen
- gebiedende wijs van achterklappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van achterklappen
Vervoeging van achterklap
achterklaphele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands achterclap, op te vatten als naamwoord van handeling van achterklappen ww , in de betekenis van ‘kletspraat achter iemands rug’ voor het eerst aangetroffen in 1301
Woordfamilie van achterklap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| achterklapje | verkleinwoord | achterklap |
| achterklapjes | verkleinwoord meervoud | achterklap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van achterklap zijn vastgelegd.