weddenschap
zelfstandig naamwoord ˈwɛdə(n)ˌsxɑpBetekenis
- een wederzijdse overeenkomst de ander te zullen betalen naar gelang de uitkomst van een gebeurtenis in de toekomst
Hoe spreek je weddenschap uit?
/ˈwɛdənˌsxɑp/
Weddenschap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| w | quiz |
| ɛ | bed |
| d | dak |
| ə | de |
| n | nek |
| s | sok |
| x | acht |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| weddenschapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| weddenschapjes | verkleinwoord, meervoud |
| weddenschappen | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘overeenkomst van wedden’ voor het eerst aangetroffen in 1666
Woordfamilie van weddenschap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| weddenschapje | verkleinwoord | weddenschap |
| weddenschapjes | verkleinwoord meervoud | weddenschap |
| weddenschappen | meervoud | weddenschap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van weddenschap zijn vastgelegd.