overlap
zelfstandig naamwoord, werkwoord ˈovərˌlɑpBetekenis
- de mate waarin twee lagen iets gezamenlijk bedekken
- overdrachtelijk het feit dat iets door meer dan een persoon bestreken wordt
Hoe spreek je overlap uit?
/ˈovərˌlɑp/
Overlap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| o | boot |
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| l | land |
| ɑ | bad |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord — masculine
- mate waarin twee lagen, onderdelen e.d. iets gezamenlijk bedekken
- overdrachtelijk situatie dat iets door meer dan een persoon of organisatie bestreken wordt
- ~ tussen twee functies f(x) en g(x): de integraal ∫f(x).g(x)dx
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| overlappen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
- gebiedende wijs van overlappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van overlappen
Vervoeging van overlap
overlaphele werkwoord
Alle 1 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [B] overláp | canonical |
Herkomst
zn: van Engels overlap zn , soms opgevat als samenstelling van over en lap ww ook wel vernederlandst met het achtervoegsel -ing tot overlapping