Landbouwschap
eigennaam ˈlɑndbɑuˌsxɑpBetekenis
- (Nederland) van 1954 tot 2000 bestaand zelfbesturend overheidslichaam dat alle agrarische bedrijvigheid omvatte
Hoe spreek je Landbouwschap uit?
/ˈlɑndbɑuˌsxɑp/
Landbouwschap bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| ɑ | bad |
| n | nek |
| d | dak |
| b | bak |
| ɑu | koud |
| s | sok |
| x | acht |
| p | pak |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
eigennaam — neuter
- van 1954 tot 2000 bestaand zelfbesturend overheidslichaam dat alle agrarische bedrijvigheid omvatte historical
Verbuiging en vervoeging (eigennaam)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| Landbouwschaps | bezittelijk |
Herkomst
geen meervoud, afgeleid van landbouw met het achtervoegsel -schap, geschreven met een hoofdletter volgens spellingregel 16.N