tap
zelfstandig naamwoord, werkwoord tɑpBetekenis
- een uitsteeksel, stomp
- het (conische) uiteinde van een as
- het uiteinde van een staaf of draadeind
- het dunner gemaakte uiteinde van de buis van een blaasinstrument
- een hardstalen staafje met schroefdraad waarmee binnendraad wordt getapt
- een houten pen ter borging van een pen-en-gatverbinding
- de afsluiting en aftapkraan van een vat
- een aftak- of aansluitpunt op een kabel of leiding voor water-, gas- elektriciteit, etc.
- tik, het licht ergens tegenaan slaan, of het geluid daarvan
- kraan, tapkraan, tap, voor vloeistof, gas etc.
- tapperij, een gelegenheid waar drank uit het vat wordt geschonken
- draadtap, om schroefdraad te tappen
- tap, hals aan staaf/buis om die in een volgende te schuiven
- tap, aftakking van transformator, kabel of buisleiding
- verlies
- verlies (bijv. een koersverlies)
- nederlaag
Hoe spreek je tap uit?
/tɑp/
Tap bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| t | tak |
| ɑ | bad |
| p | pak |
zelfstandig naamwoord — masculine
- uitsteeksel, stomp
- uiteinde van een as
- uiteinde van een staaf of draadeind
- dunner gemaakte uiteinde van de buis van een blaasinstrument
- hardstalen staafje met schroefdraad waarmee binnendraad wordt getapt
- houten pen ter borging van een pen-en-gatverbinding
- afsluiting en aftapkraan van een vat
- aftak- of aansluitpunt op een kabel of leiding voor water-, gas- elektriciteit, etc.
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| tapje | verkleinwoord |
| tapje | verkleinwoord, enkelvoud |
| tapjes | verkleinwoord, meervoud |
| tapjes | verkleinwoord, enkelvoud |
| tappen | meervoud |
| taps | enkelvoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tappen
- gebiedende wijs van tappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van tappen
Vervoeging van tap
taphele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands tappe “afsluitpin in een vat”, in de betekenis van “afsluiter” aangetroffen vanaf 1233 Dit woord gaat terug op Germaans *tappan-, *tappon- “afsluitpin, afsluiter”, vergelijk Engels tap en Duits Zapfen
Woordfamilie van tap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| tapje | verkleinwoord | tap |
| tapjes | verkleinwoord meervoud | tap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van tap zijn vastgelegd.