knap
bijvoeglijk naamwoord, bijwoord, zelfstandig naamwoord, tussenwerpsel, werkwoord knɑpBetekenis
- verstandig
- mooi, aantrekkelijk
- tamelijk, behoorlijk
- een geluid alsof iets breekt
- knappen
Hoe spreek je knap uit?
/knɑp/
Knap bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| k | kat |
| n | nek |
| ɑ | bad |
| p | pak |
bijvoeglijk naamwoord
- behendig, handig
- slim [1]
- nauw, strak
- snel, vlug obsolete
Verbuiging en vervoeging (bijvoeglijk naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| knappe | verbogen, stellende trap |
| knapper | onverbogen, vergrotende trap |
| knappere | verbogen, vergrotende trap |
| knappers | partitief, vergrotende trap |
| knaps | partitief, stellende trap |
| knapst | onverbogen, overtreffende trap |
| knapste | verbogen, overtreffende trap |
bijwoord
- in aanzienlijke/behoorlijke mate
zelfstandig naamwoord — masculine
- een geluid waarbij iets hards of stijfs opeens breekt
- vlasbraak
tussenwerpsel
- nabootsing van het geluid waarbij iets hards of stijfs opeens breekt
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knappen
- gebiedende wijs van knappen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van knappen
Vervoeging van knap
knaphele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘slim, aantrekkelijk’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1657
Woordfamilie van knap
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| knapje | woordvorm | knap |
| knapjes | meervoud | knap |
| knaps | partitive, positive | knap |
| knapst | uninflected, superlative | knap |
| knapste | inflected, superlative | knap |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van knap zijn vastgelegd.