huis
zelfstandig naamwoord, werkwoord hœysBetekenis
- een gebouw bestemd om in te wonen
- een geslacht, verwijzing naar iemands afkomst
- een dynastie, koninklijk geslacht
- een firma, eenvoudige onderneming van twee of meer personen
- een omhulsel
- een zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
Hoe spreek je huis uit?
/hœys/
Huis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — neuter
- gebouw bestemd om in te wonen
- geheel van de nakomelingen van één voorvader, verwijzing naar iemands afkomst
- geheel van personen die officieel tot een vorstelijke familie worden gerekend
- eenvoudige onderneming van twee of meer personen
- iets wat gemaakt is om een bepaalde inhoud te bevatten
- zetel van een belangrijk persoon, bedrijf of instelling
- elk van de twaalf sectoren van een horoscoop die te maken hebben met verschillende levensgebieden
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huisjes | verkleinwoord, meervoud |
| huizen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huizen
- gebiedende wijs van huizen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van huizen
Vervoeging van huis
huishele werkwoord
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands huus van Oudnederlands hus, in de betekenis van ‘woning’ aangetroffen vanaf 893
Woordfamilie van huis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huisjes | verkleinwoord meervoud | huis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huis zijn vastgelegd.