huizen
werkwoord, zelfstandig naamwoord ˈhœyzə(n)Betekenis
- wonen, aanwezig zijn
- een verblijfplaats verschaffen
Hoe spreek je huizen uit?
/ˈhœyzən/
Huizen bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| z | zon |
| ə | de |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Vervoeging van huizen
huizenhele werkwoord — huisdeverleden tijd enkelvoud — huisdenverleden tijd meervoud — gehuisdvoltooid deelwoord
| Persoon | Tegenwoordige tijd | Verleden tijd |
|---|---|---|
| ik | huis | huisde |
| jij | huist | huisde |
| hij, zij, het | huist | huisde |
| wij | huizen | huisden |
| jullie | huizen | huisden |
| zij | huizen | huisden |
Alle 55 overige vormen: lijdende vorm, toekomende tijd en infinitiefconstructies
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ev. | gebiedende wijs |
| gehuisd | verleden tijd, deelwoord |
| gehuisd te zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| gehuisd zullen hebben | actief, infinitief, voltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| had gehuisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| had gehuisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| had gehuisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadden gehuisd | voltooid, verleden tijd, eerste persoon |
| hadden gehuisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| hadden gehuisd | voltooid, verleden tijd, derde persoon |
| hadt gehuisd | voltooid, verleden tijd, tweede persoon |
| heb gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, korte vorm |
| hebben gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, eerste persoon |
| hebben gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| hebben gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| hebt gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, tweede persoon |
| heeft gehuisd | voltooid, tegenwoordige tijd, derde persoon |
| huis | gebiedende wijs |
| huisde | verleden tijd |
| huize | aanvoegende wijs |
| huizend | onvoltooid, deelwoord |
| te hebben gehuisd | actief, infinitief, voltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te huizen | actief, infinitief, onvoltooid, tegenwoordige tijd, lange vorm |
| te zullen huizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, lange vorm |
| zal gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zal gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zal gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zal huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, eerste persoon |
| zal huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
| zal huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, derde persoon |
| zou gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zou gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zou gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zou huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, eerste persoon |
| zou huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zou huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, derde persoon |
| zouden gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, eerste persoon |
| zouden gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zouden gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, derde persoon |
| zouden huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, eerste persoon |
| zouden huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, tweede persoon |
| zouden huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, meervoud, derde persoon |
| zoudt gehuisd hebben | voltooid, voorwaardelijk, tweede persoon |
| zoudt huizen | aantonende wijs, onvoltooid, voorwaardelijk, enkelvoud, tweede persoon |
| zullen gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, eerste persoon |
| zullen gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zullen gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, derde persoon |
| zullen huizen | actief, infinitief, onvoltooid, toekomende tijd, korte vorm |
| zullen huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, eerste persoon |
| zullen huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, tweede persoon |
| zullen huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, meervoud, derde persoon |
| zult gehuisd hebben | voltooid, toekomende tijd, tweede persoon |
| zult huizen | aantonende wijs, onvoltooid, toekomende tijd, enkelvoud, tweede persoon |
Woordvorm
- meervoud van het zelfstandig naamwoord huis
Woordfamilie van huizen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| gehuisd | voltooid deelwoord | huizen |
| huisde | verleden tijd | huizen |
| huisden | aantonende wijs, onvoltooid, verleden tijd, meervoud, 1e persoon | huizen |
| huist | aantonende wijs, onvoltooid, tegenwoordige tijd, enkelvoud, 2e persoon | huizen |
| huizend | onvoltooid deelwoord | huizen |
| huizende | woordvorm | huizen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huizen zijn vastgelegd.