huisbel
zelfstandig naamwoord ˈhœyzbɛlBetekenis
- een instrument waarmee bezoekers, via een geluidssignaal, aangeven dat ze aan de voordeur van een woning staan
Hoe spreek je huisbel uit?
/ˈhœyzbɛl/
Huisbel bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| œy | huis |
| z | zon |
| b | bak |
| ɛ | bed |
| l | land |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huisbellen | meervoud |
| huisbelletje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huisbelletjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
samenstelling van huis zn en bel zn
Woordfamilie van huisbel
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huisbellen | meervoud | huisbel |
| huisbelletje | verkleinwoord | huisbel |
| huisbelletjes | verkleinwoord meervoud | huisbel |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huisbel zijn vastgelegd.