ziekenhuis
zelfstandig naamwoord /ˈzi.kǝn.ˌɦœʏs/Betekenis
- instelling voor onderzoek, behandeling en verpleging van zieken
Hoe spreek je ziekenhuis uit?
/ˈzikǝnˌhœys/
Ziekenhuis bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| z | zon |
| i | riet |
| k | kat |
| n | nek |
| h | hoed |
| œy | huis |
| s | sok |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ziekenhuisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ziekenhuisjes | verkleinwoord, meervoud |
| ziekenhuizen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van zieke en huis met het invoegsel -n-
Woordfamilie van ziekenhuis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ziekenhuisje | verkleinwoord | ziekenhuis |
| ziekenhuisjes | verkleinwoord meervoud | ziekenhuis |
| ziekenhuizen | meervoud | ziekenhuis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ziekenhuis zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- ziekenhuisafdeling
- ziekenhuisafval
- ziekenhuisapotheek
- ziekenhuisapotheker
- ziekenhuisarts
- ziekenhuisbacterie
- ziekenhuisbal
- ziekenhuisbed
- ziekenhuisbehandeling
- ziekenhuisbeleid
- ziekenhuisbestuur
- ziekenhuisbevalling
- ziekenhuisbezoek
- ziekenhuisbudget
- ziekenhuiscomplex
- ziekenhuisdirecteur
- ziekenhuisdirectie
- ziekenhuisfactuur
- ziekenhuisfinanciering
- ziekenhuisinfectie
- ziekenhuiskamer
- ziekenhuiskosten
- ziekenhuislaboratorium
- ziekenhuislinnen