hypotheek
zelfstandig naamwoord ˌhypoˈtekBetekenis
- zakelijke zekerheid die een onroerend goed zonder buitenbezitstelling bezwaart om een vordering tot terugbetaling van een geldlening bij voorrang boven concurrente schuldeisers te verhalen
Hoe spreek je hypotheek uit?
/ˌhypoˈtek/
Hypotheek bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de derde.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| y | fuut |
| p | pak |
| o | boot |
| t | tak |
| e | veel |
| k | kat |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| hypotheekje | verkleinwoord, enkelvoud |
| hypotheekjes | verkleinwoord, meervoud |
| hypotheken | meervoud |
Herkomst
In de betekenis van ‘geldlening met onroerend goed als onderpand’ voor het eerst aangetroffen in 1503
Woordfamilie van hypotheek
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| hypotheekje | verkleinwoord | hypotheek |
| hypotheekjes | verkleinwoord meervoud | hypotheek |
| hypotheken | meervoud | hypotheek |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van hypotheek zijn vastgelegd.