muis
zelfstandig naamwoord, werkwoord mœysBetekenis
- klein knaagdier, meestal van het geslacht Mus, met spitse snuit, grote oren en ogen en een lange, bijna onbehaarde staart
- verlegen, onopvallend persoon
- invoerapparaat voor de computer dat wordt bewogen over een mat of ander oppervlak om een aanwijzer op een beeldscherm te bewegen
- het onderste vlezige deel van de duim
- (alleen verkleinwoord meervoud) gesuikerde anijszaadjes, gebruikt als broodbeleg
Hoe spreek je muis uit?
/mœys/
Muis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| m | maan |
| œy | huis |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- klein zoogdier, meestal van het geslacht Mus, met spitse snuit, grote oren en ogen en een lange, bijna onbehaarde staart
- gesuikerde anijszaadjes, gebruikt als broodbeleg
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| muisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| muisjes | verkleinwoord, meervoud |
| muizen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van muizen
- gebiedende wijs van muizen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van muizen
Vervoeging van muis
muishele werkwoord
Herkomst
[1] erfwoord via Middelnederlands muus van Oudnederlands mus, in de betekenis van ‘knaagdier’ aangetroffen vanaf de 10e eeuw
Woordfamilie van muis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| muisje | verkleinwoord | muis |
| muisjes | verkleinwoord meervoud | muis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van muis zijn vastgelegd.