luis
zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijk naamwoord lœysBetekenis
- een meestal vleugelloos insect dat parasiteert op plant, mens en dier
Hoe spreek je luis uit?
/lœys/
Luis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| l | land |
| œy | huis |
| s | sok |
zelfstandig naamwoord — feminine, masculine
- benaming voor verschillende meestal vleugelloze insecten die parasiteren op dieren en planten
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| luisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| luisjes | verkleinwoord, meervoud |
| luizen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luizen
- gebiedende wijs van luizen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van luizen
Vervoeging van luis
luishele werkwoord
Woordvorm
- partitief van de stellende trap van lui
Herkomst
van Middelnederlands luus, in de betekenis van ‘insect’ voor het eerst aangetroffen in 1285; cognaat met Engels louse en Duits Laus
Woordfamilie van luis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| luisje | verkleinwoord | luis |
| luisjes | verkleinwoord meervoud | luis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van luis zijn vastgelegd.