sluis
zelfstandig naamwoord, werkwoord slœysBetekenis
- een kunstwerk om water te keren en mogelijk ook om schepen door te laten, op een plaats tussen twee waters met een verschillend waterpeil.
- een afgesloten ruimte met aan twee zijden een deur, waarvan er tegelijkertijd slechts één open kan.
Hoe spreek je sluis uit?
/slœys/
Sluis bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| l | land |
| œy | huis |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| sluisje | verkleinwoord, enkelvoud |
| sluisjes | verkleinwoord, meervoud |
| sluizen | meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluizen
- gebiedende wijs van sluizen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van sluizen
Vervoeging van sluis
sluishele werkwoord
Herkomst
Leenwoord van Oudfrans escluse (modern Frans écluse) of direct van Latijn exclūsa, sclūsa. In de betekenis van ‘waterkering’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1139
Woordfamilie van sluis
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| sluisje | verkleinwoord | sluis |
| sluisjes | verkleinwoord meervoud | sluis |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van sluis zijn vastgelegd.