honk
zelfstandig naamwoord, werkwoord hɔŋkBetekenis
- uitgangspunt en vrijplaats bij kinderspelen
- elk van de vier hoekpunten op een softbal- of honkbalveld die een speler moet passeren, wil hij een punt scoren
- vaste verblijfplaats waar je je op je gemak voelt
Hoe spreek je honk uit?
/hɔŋk/
Honk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| h | hoed |
| ɔ | bot |
| ŋ | ding |
| k | kat |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| honken | meervoud |
| honkje | verkleinwoord, enkelvoud |
| honkjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honken
- gebiedende wijs van honken
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van honken
Vervoeging van honk
honkhele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘thuis, vrijplaats bij kinderspelen’ voor het eerst aangetroffen in 1401
Woordfamilie van honk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| honkje | verkleinwoord | honk |
| honkjes | verkleinwoord meervoud | honk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van honk zijn vastgelegd.