huisadres
zelfstandig naamwoordBetekenis
- adres waar men woont, i.t.t. werkadres
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| huisadresje | verkleinwoord, enkelvoud |
| huisadresjes | verkleinwoord, meervoud |
| huisadressen | meervoud |
Herkomst
samenstelling van huis en adres
Woordfamilie van huisadres
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| huisadresje | verkleinwoord | huisadres |
| huisadresjes | verkleinwoord meervoud | huisadres |
| huisadressen | meervoud | huisadres |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van huisadres zijn vastgelegd.