ding
zelfstandig naamwoord, werkwoord dɪŋBetekenis
- een voorwerp dat geen dier of mens is
- een meid
- een penis
- een in de Oudgermaanse tijd driedaagse volksvergadering die recht kon spreken en dus als rechtszitting fungeerde
- gebeurtenis
Hoe spreek je ding uit?
/dɪŋ/
Ding bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| d | dak |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
zelfstandig naamwoord — neuter
- voorwerp dat geen dier of mens is
- persoon, slechts gezien als iemand die lichamelijk aantrekkelijk is informal
- mannelijk geslachtsdeel informal
- driedaagse volksvergadering die recht kon spreken en dus als rechtszitting fungeerde in de Oudgermaanse tijd
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| dingen | meervoud |
| dingetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| dingetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
- gebiedende wijs van dingen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van dingen
Vervoeging van ding
dinghele werkwoord
Herkomst
In de betekenis van ‘zaak, voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in 901.
Woordfamilie van ding
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| dingetje | verkleinwoord | ding |
| dingetjes | verkleinwoord meervoud | ding |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ding zijn vastgelegd.