stuk
zelfstandig naamwoord, bijvoeglijk naamwoord, bijwoord /stɵk/Betekenis
- deel, gedeelte, onderdeel van een geheel
- een afgerond product van nijverheid of kunst
- één als teleenheid
- een onbepaalde hoeveelheid of maat
- document, oorkonde
- opstel, artikel
- een aantrekkelijk persoon (man of vrouw)
- de combinatie troef koning en troef vrouw bij klaverjassen
- kapot, gebroken
- defect
- in stukken gebroken
Hoe spreek je stuk uit?
/stɵk/
Stuk bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| s | sok |
| t | tak |
| ɵ | put |
| k | kat |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een niet nader bepaalde hoeveelheid of maat
- officieel document, oorkonde
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| [3] stuks | meervoud |
| stukje | verkleinwoord, enkelvoud |
| stukjes | verkleinwoord, meervoud |
| stukken | meervoud |
bijwoord
- bijwoordelijk deel van een scheidbaar werkwoord in stukken gebroken
Herkomst
In de betekenis van ‘kapot’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1819
Woordfamilie van stuk
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| stukjes | verkleinwoord meervoud | stuk |
| stukke | woordvorm | stuk |
| stukken | meervoud | stuk |
| stuks | meervoud | stuk |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van stuk zijn vastgelegd.