verzekering
zelfstandig naamwoord vərˈzekəˌrɪŋBetekenis
- overeenkomst waarmee men zorgt voor vergoeding van schade, diefstal e.d. door het betalen van een premie aan degene die verzekert
- de mededeling dat iets een feit is
Hoe spreek je verzekering uit?
/vərˈzekəˌrɪŋ/
Verzekering bestaat uit vier lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| z | zon |
| e | veel |
| k | kat |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
| ˌ | een lichtere nadruk, zwakker dan de hoofdklemtoon |
zelfstandig naamwoord
- de mededeling dat iets echt waar is, dat iets een feit is
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| verzekeringen | meervoud |
| verzekeringetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| verzekeringetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
Naamwoord van handeling van verzekeren met het achtervoegsel -ing
Woordfamilie van verzekering
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| verzekeringen | meervoud | verzekering |
| verzekeringetje | verkleinwoord | verzekering |
| verzekeringetjes | verkleinwoord meervoud | verzekering |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van verzekering zijn vastgelegd.