ring
zelfstandig naamwoord, werkwoord rɪŋBetekenis
- een cirkelvormig sieraad voor om de vinger.
- een cirkelvormig voorwerp.
- een plaats waar gestreden wordt.
- een gebied waar bestuurd wordt.
- een rondweg.
- bellen
- (België)
Hoe spreek je ring uit?
/rɪŋ/
Ring bestaat uit één lettergreep.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| ɪ | pit |
| ŋ | ding |
zelfstandig naamwoord — masculine
- een cirkelvormig sieraad (voor om de vinger)
- een cirkelvormig voorwerp
- een plaats waar gestreden wordt
- een gebied waar bestuurd wordt
- rondweg
- cyclische verbinding waarbij de atomen een gesloten systeem vormen
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ringen | meervoud |
| ringetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ringetjes | verkleinwoord, meervoud |
Woordvorm
- eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ringen
- gebiedende wijs van ringen
- tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van ringen
Vervoeging van ring
ringhele werkwoord
Herkomst
erfwoord, via Middelnederlands rinc van Oudnederlands rink, in de betekenis van ‘kringvormig voorwerp’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901
Woordfamilie van ring
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ringetje | verkleinwoord | ring |
| ringetjes | verkleinwoord meervoud | ring |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ring zijn vastgelegd.