vermogen
zelfstandig naamwoord, werkwoord /vərˈmoχə(n)/Betekenis
- een kapitaal aan geld - bezit, bezitting, eigendom
- de kwaliteiten om iets te kunnen doen, capaciteit
- de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, uitgedrukt in de SI-eenheid Watt
- in staat zijn, kunnen
- in staat zijn iets te bewerkstelligen
Hoe spreek je vermogen uit?
/vərˈmoxən/
Vermogen bestaat uit drie lettergrepen. De klemtoon ligt op de tweede.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| v | vis |
| ə | de |
| r | rood |
| m | maan |
| o | boot |
| x | acht |
| n | nek |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
zelfstandig naamwoord — neuter
- een kapitaal aan geld → bezit, bezitting, eigendom
- de hoeveelheid verrichte arbeid per tijdseenheid, vaak uitgedrukt in de SI-eenheid watt
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| vermogens | meervoud |
| vermogentje | verkleinwoord, enkelvoud |
| vermogentjes | verkleinwoord, meervoud |
Vervoeging van vermogen
vermogenhele werkwoord
Herkomst
van Middelnederlands vermogen / vermoghen, op te vatten als afgeleid van mogen ww met het voorvoegsel ver-, in de betekenis van ‘macht, kracht’ voor het eerst aangetroffen in 1291
Woordfamilie van vermogen
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| vermag | woordvorm | vermogen |
| vermocht | woordvorm | vermogen |
| vermochten | woordvorm | vermogen |
| vermoge | woordvorm | vermogen |
| vermogens | meervoud | vermogen |
| vermogentje | verkleinwoord | vermogen |
| vermogentjes | verkleinwoord meervoud | vermogen |
| vermoogt | woordvorm | vermogen |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van vermogen zijn vastgelegd.