ruimte
zelfstandig naamwoord ˈrœymtəBetekenis
- beschikbare uitgestrektheid, mate waarin iets ruim is
- vertrek, kamer
- heelal, universum
- mogelijkheid om af te wijken van een regel of afspraak, speling, vrijheidsgraad, marge
Hoe spreek je ruimte uit?
/ˈrœymtə/
Ruimte bestaat uit twee lettergrepen. De klemtoon ligt op de eerste.
| Teken | Klinkt als in |
|---|---|
| r | rood |
| œy | huis |
| m | maan |
| t | tak |
| ə | de |
| ˈ | de klemtoon ligt op de lettergreep die hierna begint |
Verbuiging en vervoeging (zelfstandig naamwoord)
| Vorm | Grammaticale informatie |
|---|---|
| ruimten | meervoud |
| ruimtes | meervoud |
| ruimtetje | verkleinwoord, enkelvoud |
| ruimtetjes | verkleinwoord, meervoud |
Herkomst
afgeleid van ruim bn met het achtervoegsel -te, in de betekenis van ‘plaats om zich te bewegen’ aangetroffen vanaf 1564
Woordfamilie van ruimte
| Woordvorm | Relatie | Afgeleid van |
|---|---|---|
| ruimten | meervoud | ruimte |
| ruimtes | meervoud | ruimte |
| ruimtetje | verkleinwoord | ruimte |
| ruimtetjes | verkleinwoord meervoud | ruimte |
Deze woordfamilie bestaat uitsluitend uit vormen die expliciet als vorm van ruimte zijn vastgelegd.
Afleidingen en samenstellingen
- ruimteafval
- ruimtebiologie
- ruimtecapsule
- ruimtegebruik
- ruimtekromme
- ruimtelaboratorium
- ruimtelijk
- ruimteonderzoek
- ruimtepak
- ruimtependel
- ruimteprobleem
- ruimtepuin
- ruimterace
- ruimtereis
- ruimteschild
- ruimteschip
- ruimteschroot
- ruimtesonde
- ruimtestation
- ruimtetelescoop
- ruimtetoerisme
- ruimtetoerist
- ruimtetuig
- ruimtevaarder